37. De Heren van Asten en Lierop

wel aanzienlijk, maar geen “heren van Asten en Lierop”

door: Arnoud- Jan Bijsterveld

Wanneer men wil aantonen dat men recht heeft op een bepaald goed of recht, heeft men bewijsstukken nodig. Als deze ontbreken, kan men zijn toevlucht nemen tot het vervalsen of zelf fabriceren van die bewijsstukken. Valsheid in geschrifte is echter niet iets van vandaag of gisteren. Zeker in tijden, waarin door oorlog of brand vaker dan nu stukken verloren gingen, zoals in de Middeleeuwen, greep men naar dit middel.
We zien dan ook dat gewone lieden, adellijke families maar ook kloosters en abdijen niet schroomden voor den dag te komen met de fraaiste “bewijsstukken” van eigen fabrikaat. Zo’n collectie valse of vervalste stukken kan een hedendaags historicus op het verkeerde been zetten en dat is dan ook herhaaldelijk gebeurd. De Middeleeuwse familie Stakenborch is hiervan een sprekend voorbeeld. Doel van het volgende is niet om een geschiedenis te schrijven van deze interessante en voor Lierop, Asten en Someren uiterst belangrijke familie, maar om een oud misverstand over haar uit de weg te ruimen.

Historisch is van de familie Van Stakenborch het volgende met zekerheid bekend. Omstreeks 1350 was Willem van Stakenborch een aanzienlijke man in onder meer Someren, Asten en Lierop. Hij en zijn familie bezaten, als eigenaar of als pachter, veel onroerend goed in heel Brabant, waaronder het goed Vladeracken of Vlerken onder Someren. Willem was ook pachter van belangrijke goederen van de priorij van Postel, namelijk de windmolen in Someren en de watermolen van Stripdonk onder Lierop. Een molen was een enorme bron van inkomsten en Willem van Stakenborch en zijn broers Hendrik I , Jan en Mathijs brachten het dan ook tot grote welstand en groot aanzien. Hendrik werd zelfs prior of prosiver (hoofd) van het godshuis in Postel. Omdat dit klooster met financiële problemen kampte, leende het van de familie Van Stakenborch aanzienlijke sommen geld. Als onderpand gaf Postel hen tienden en goederen. Om welke goederen het ging, blijkt uit een oorkonde uit 1401. Hierin staat dat Hendrik II van Stakenborch, zoon van Willem, van zijn vader alle rechten erfde op de door de priorij van Postel aan Willem verpande goederen, te weten vier boerderijen in Someren, de tienden en de windmolen van Someren en de goederen Moorsel, Stipdonk en Lierop.

Bovendien deed Hendrik I van Stakenborch, prior van Postel, enkele schenkingen aan het klooster. Toen hij echter in of vóór 1359 stierf ontstond er een conflict. De enige overgebleven broer, Willem, vond blijkbaar, dat hij door Hendriks schenkingen benadeeld was. Daarbij kwamen ook nog de grote schulden die Postel aan de familie had. Er werd echter een scheidsrechter ingeschakeld en op 10 januari 1359 legden Willem van Stakenborch en de priorij van Postel hun geschil bij. In 1364 staakte ook Mathijs van Boescot van Asten, oomzegger van Willem van Stakenborch, zijnerzijds het proces tegen de toenmalige prior van Postel.

De nazaten van de gebroeders Van Stakenborch lieten het er echter niet bij zitten. Omdat Postel volgens hen de lening niet had afgelost en zij dus nog recht hadden op de verpande goederen, laaide in 1426 de strijd weer in alle felheid op. Jan van Stakenborch vergreep zich aan de bezittingen van Postel en dreigde zelfs het klooster in brand te steken. De Hertog van Brabant vaardigde een arrestatiebevel tegen hem uit en Jan moest het land verlaten. Dertig jaar later, in 1456, kwam het tot een proces, toen Jans erfgenaam, weer een Mathijs van Boisschot, aanspraak maakte op alle tienden te Someren, de windmolen van Someren , het molenrecht in Someren en Lierop en vier hoeven te Someren. Hij deed dit op grond van oude gebruiksrechten, voortkomend uit de geldelijke verplichtingen (schulden) die Postel jegens de familie had. Mathijs claimde goederen en rechten die omstreeks 1350 door de priorij van Postel waren verpand aan zijn voorvader Willem van Stakenborch.

De priorij van Postel had er inmiddels schoon genoeg van. Rond 1360 hadden de van Stakenborchs nog erkend dat alle goederen en rechten in Someren en Lierop van Postel waren, maar nutrok men dit feit opnieuw in twijfel! De kloosterlingen besloten dan ook een aantal doeltreffende bewijsstukken te vervaardigen. Een omslachtige procedure op grond van echte, maar niet rechtstreeks bewijskrachtige oorkonden zou altijd weer kunnen leiden tot het opnieuw in twijfel trekken van de eigendomsrechten van priorij Postel. De kloosterlingen kwamen in 1456 dan ook op de proppen met drie valse oorkonden uit 1243, 1266 en 1311. Deze moesten bewijzen dat de Van Stakenborchs al vroegtijdig al hun rechten op tienden, een molen en vier boerderijen in Someren en het molenrecht in Lierop aan het klooster van Postel hadden geschonken en dat zij er dus geen rechten meer op hadden. In de drie vervalste oorkonden wordt een heel voorgeslacht te voorschijn getoverd van de bovengenoemde broers Willem, Hendrik, Jan en Mathijs. Blijkbaar was de familie van Stakenborch, voordien pachters van het klooster, in de vijftiende eeuw de norbertijnen dusdanig boven het hoofd gegroeid, dat zelfs de geestelijken van Postel geen andere uitweg meer zagen dan vervalsing. In de stamboom van de familie Van Stakenborch komen we in de vervalste oorkonden als voorvaders opgevoerde Gerlach en Willem de Rover vaak tegen. Het is best mogelijk dat de Van Stakenborchs inderdaad van hen afstammen maar de valse oorkonden mogen niet als bewijs dienen. Ook wordt Gerlach en Willem in de oorkonden “heer van Stakenborch in Someren” genoemd en dat is in de echte stukken nooit het geval. 

De Van Stakenborchs gaven ná 1456 dan wel hun pretenties jegens Postel op maar het verhaal is nog niet uit. Een slimme nazaat heeft de vervalsingen van Postel in de zeventiende eeuw eens gebruikt en zelfs aangevuld met nog een vervalsing. In 1656 namelijk claimde Frans van Boisschot van adellijke afkomst te zijn. Dit wilde hij bewijzen door te wijzen op zijn afstamming van de ridderlijke Van Stakenborchs en de adellijke De Rovers. Maar aan de valse Postelse oorkonden had hij niet genoeg. Daarom werd een oorkonde geproduceerd uit 1308, waarin enerzijds het verband gelegd tussen Van Boisschot en Van Stakenborch en anderzijds de van Stakenborchs tot heren van Asten en Lierop en Escharen werden gepromoveerd. Namen van werkelijke heren van Asten (en Lierop?), leden van de familie van Cuijk, werden in de stamboom ingepast. Dit alles was natuurlijk volstrekt vals, maar net als Postel in 1456, bereikte de vervalser ook dit keer het gewenste resultaat: zijn aanspraken op adeldom werd erkend.

Latere geschiedschrijvers maakten de zaak nog gecompliceerde door de stamboom verder fantasievol in te vullen. Resultaat, interessante maar volsterkt onhistorische stambomen. Zo werden de Van Stakenborchs op grond van de vervalsingen opgewaardeerd van aanzienlijke pachters in Someren, Lierop en Asten tot heren van Asten en Lierop, hetgeen zij nooit geweest zijn. Coppens en Schutjes weten zelfs te melden dat Hendrik van Stakenborch, alvorens als provisor van Postel “het Norbertijner wit habijt” aan te nemen, de heerlijkheden Lierop, Stakenborch, Someren, Asten en Escharen verkocht aan de hertog van Brabant. Men heeft dan ook gedacht dat Lierop zijn gemeentewapen, de drie molenijzers, te danken had aan het identieke wapen van deze familie. Ook de priorij van postel zou dit wapen hebben overgenomen van Hendrik van Stakenborch, die omstreeks 1350 prior was van Postel. Wie het wapen nu van wie overnam is de vraag naar de kip en het ei. Het meest voor de hand ligt echter dat het Postelse wapen het oudste is en dat het zowel door Lierop als door de Van Stakenborchs is overgenomen.

NOTEN
Bron: "Lierop 'n beeld van een dorp"

  1. Het volgende is vrijwel geheel gebaseerd op de diplomatische beschouwingen van H.P.H. Camps in het ONB bij de betreffende oorkonden Camps,ONB, nr 199 d.d. p.277; nr 305 d.d. pp.917-920; nr 863 d.d. pp.1052-1055
  2. A.J.Teychiné Stakenburg, “Het Brabantse geslacht Stakenburg in de XIVe – XVIIIe eeuw”, jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie 15 (1961) 118-146, m.n.120-121(= idem, De familie Stakenburg(Rotterdam1961). Zie voor zijn verdere studies over deze familie de voetnoten 4 en 7
  3. Hendrik vermaakte in 1401 deze goederen op zijn beurt aan zijn zuster Margriet (Th.L.Welvaarts, Zomeren naar de archieven van Postel’s abdij (Helmond/Turnhout 1892) 65-66)
  4. Notariële oorkonde d.d. 1364 juli 20 (RANB, oud inv.nr.Aanwinsten 1885/27bis/g, tijdelijk: dossier kerk Asten oorkonde g), vermeld in Camps, ONB p.1054;facsmile: A.J. Teychiné Stakenburg, De oudste generaties der familie Stakenburg (Rotterdam 1980) 15.
  5. In het begin van de 17e eeuw vervaardigde men in Postel nog een valse oorkonde, zogenaamd uit het jaar 1357, waarin een verweer werk opgenomen tegen de zogenaamde aanspraken van Willem van Stakenborch op de molens van Someren en Lierop (Abdij-archief Postel, charters Someren 9bis; zie Camps, ONB, p. 1054 en n.1)
  6. J.A. Coppens, Nieuwe beschrijving van het Bisdom ’s-Hertogenbosch naar aanleiding van het Katholijk Meijerijsch Memorieboek van A. van Gils,( 4 din;”s-Hertogenbosch 1840-1844) III. 1 302-303: L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom ’s-Hertogenbosch, (5din; St. Michiels-Gestel 1870-1876) III, 144; IV,669; A.F.O. van Sasse van Ysselt,”de heerlijkheid Asten”, Taxandria 22 (1915) 3-9, 65-73, 121-129.
  7. Helaas is ook de serieuze onderzoeker van de familie Van Stakenborch, A.J. Teychiné Stakenburg, in deze valkuil gevallen. Dit is het geval in zijn studie uit 1961, “Het Brabantse geslacht Stakenburg”, pp. 118-122, waarin hij zich vooral baseerde op een manuscript van de negentiende –eeuwse archivaris van Postel, Th.L.Welvaarts, “De familie Van Stakenborch 1343-1626 naar de archieven van de Abdij van Postel” Nog in 1980 vooert hij “Willem de Rovere Stakenborch, heer van Asten en Escharen (en Lierop?)”, die dus nooit bestaan heeft, op als voorvader van het geslacht (zie Teychiné Stakenburg, “De oudste generaties”,5; en idem “Het Brabantse geslacht Stakenburg” Een aanvulling op de genealogie, De Brabantse Leeuw 31 (1982) 85-86
  8. Zie bijvoorbeeld F. Prins, De onze-Lieve-Vrouwe-Abdij der Norbertijnen te Postel (Antwerpen 1935) 46-47.