7. Kerken en kapellen langs Nuenens wegen en paden

Deel 2a. Kapel met kruisweg op Hooidonk te Nederwetten.

Door: Nico Nagtegaal

In het buurtschap Hooidonk staat nabij de Hooidonkse watermolen een kapel met een kruisweg. Deze kapel is gebouwd op de plaats waar het koor was van de in 1244 gereedgekomen stenen kapel, waarin "het wonder van Hooidonk" plaats vond. De fundamenten van deze kapel zijn opgemetseld en zodoende zichtbaar buiten de huidige kapel. De stenen kapel verving de houten kapel uit 1148. Zowel de houten als de stenen kapel waren een onderdeel van het slotklooster "Priorij van Hooidonk" (1146-1650).

1146 

Klooster Hooidonk, dat 500 jaren heeft bestaan, werd gesticht op het molen-eiland van de watermolen Hooidonk. De grondvesten van deze molen dateren van rond 900. Rond 1350 kwam deze watermolen, evenals de watermolen bij Son, in het bezit van het klooster. (Hodonc, Hoedonc, Hooidonk betekent hoge donk, een verhoging in een moerassig gebied.) In die tijd kon iedereen een klooster stichten, mits hij voldeed aan de voorwaarde, dat het klooster bij zijn stichting zoveel goederen mee kreeg, dat het zichzelf kon onderhouden. Ene Ridder de Roovere (Edmund?, Gerlacus?), wonende te St.Oedenrode, heer van o.a. Breugel, Deurne, Vlierden, Lierop, Someren en Staekenborgh (bij Someren?) schonk bij het stichten van zijn klooster een gebied, dat later de gemeente Nederwetten zou worden. Dit gebied had akkergronden op de Heuvel en de Herendonken, beemden aan de Dommel, broekgronden in de Herendonken en Nederwettens broek, grenzend aan Nuenens Broek en heidegronden vanaf de Nieuwe Dijk tot op het Olen. Het had grenzen met Breugel, St.Oedenrode, Lieshout, Gerwen-Nuenen en de Dommel tussen de Zuidbeek (nu Heuvelakkerloop) en de Herendonkseloop (nu Hooidonksebeek), waar bij de Hooidonkse molen de molenkom in uitmondt. Deze Ridder de Roovere verzocht aan priester religieus Leo van de abdij der reguliere kanunniken of koorheren van St.Augustinus te 's-Hertogenrade (Rolduc) en lid van de familie het convent te gronden. Die nieuwe convent werd een slotklooster voor adellijke zusters, reguliere kanunnikessen van de regel van St. Augustinus, ter grootte van 21 adellijke nonnen en als priorij) afhankelijk van de Abdij van Rolduc. Vermoedelijk traden twee dochters van Ridder de Roovere toe tot dit convent. (Zijn kleinzoon Willem de Roovere, heer van Lierop, Someren en Staekenborgh noemde zich ridder Willem van Staekenborgh). Het wapen van klooster Hooidonk was afgeleid van het wapen van De Roovere, echter in plaats van drie molenijzers twee molenijzers met een kwartier in de rechter schildhoek, waarin een stappende haan.

1148

Er werd een houten kapel gebouwd, die in dit jaar door bisschop Philips van Katzenellenbogen uit Osnabrück, en geboren te St. Oedenrode, werd ingewijd en was toegewijd aan O.L.Vrouw en St. Jan Evangelist. (Koningin Beatrix voert in haar vele titels prinses van Katzenellenbogen). Het kloosterbestuur bestond uit een priorin, een sub-priorin en een procuratrix. De zusters werden onderscheiden in koorzusters en conversen of werkzusters. De koorzusters waren de voornaamsten en van adel. Vermoedelijk droegen deze koorzusters in het begin een witte sluier en een zwarte mantel over een wit ordekleed en de converse zusters een witte sluier, bruine pij en mantel. Later droegen de koorzusters een eenvoudig zwart habijt, een zwart subtiel, een zwart wiel en in net koor een zwart bekraagde mantel, waarvan de bovenhelft was gevoerd met bont. Het dagelijks koorgebed was de voornaamste taak van de koorzusters. Behalve op gebed en andere geestelijke oefeningen, legden zij zich toe op handenarbeid zoals het overschrijven van documenten en boeken. Elk had een eigen afzonderlijke woning, maar er was een gemeenschappelijke slaapzaal en refter. Ook waren er later gastenverblijven buiten het slot. Tevens waren er bijgebouwen, een keuken (voor het klooster en voor de gasten) en kelders. De woning bestond uit een grote kamer met zolder, waarvan er 24 in het carre rond een plein stonden, dat door een poort bereikbaar was. In het midden van het plein was de waterput. De priorin had haar verblijf in het klooster zelf. Ook waren er in de eerste eeuw van zijn bestaan conversen of werkbroeders aan het klooster verbonden, afkomstig van Rolduc. Er was tevens een rector. De werkbroeders verrichtten landarbeid, ontgonnen het land en stichtten enkele boerderijen, die werden verpacht. Zij woonden, evenals de rector, op de hoeve, die op het terrein van het klooster was gebouwd. Zegel van klooster Hooidonk,stelt St. Jan Evangelist voor.

1220 

Aan de kruistocht van 1217-1219, vooral door het beleg van Damiate, nam menig Nederlands kruisridder deel. Dit keer telde het leger grote contingenten uit de Lage Landen. De Hertog van Brabant, Limburg en Lotharingen trok o.a. mede ten strijde en onder zijn metgezellen bevonden zich vele ridders uit Brabant, die de kruistochtgelofte hadden afgelegd. Hieronder waren familieleden van de adellijke zusters. Deze ridders namen als aandenken souvenirs mee uit het Heilige Land. Een van hen had als aandenken een splinter van het Heilige Kruis aangeschaft, die hij bij zijn terugkeer in 1220 schonk aan het klooster. Vermoedelijk ontstond daarna de Heilige-Kruisverering in de kerk te Gerwen, waarmee het klooster een binding had. (Nederwetten had toen nog geen kerk).

1240-1244

De houten kapel werd in die periode vervangen door een stenen. Ook werd er door de bewoners in het gebied van het klooster een parochiekerk gebouwd, terwijl in Gerwen de houten kerk werd vervangen door een stenen. Op zondag 4 September 1244 werd deze stenen kapel, na inwijding van de kerk aan de Dommel en die in Gerwen, door Bonifacius, gewezen bisschop van Lausanne, op verzoek van Robertas I, bisschop van Luik, geconsacreerd. Bij deze gelegenheid was het, dat bisschop Bonifacius zich wilde verzekeren van de echtheid van het Heilig Kruis partikel, dat de zusters in bewaring hadden. De mare ging, dat de echtheid van de houtsplinter kon worden bewezen door haar op gewijd water te leggen en als het zonk, dan was het een onderdeel van het Heilige Kruis. Alzo geschiedde het en zie het partikel zonk. De zekerheid dat het van het Heilig Kruis was, werd nog vergroot, doordat er bij het uithalen van de splinter uit het water, bloedrode druppels uit de splinter in het water vielen en dit gebeurde in het bijzijn van vele getuigen. De bisschop herhaalde deze proef de woensdag daarop met hetzelfde gevolg, maar de druppels waren niet zo rood meer, zoals Bonifacius zelf in een oorkonde dit wonderlijk gebeuren heeft vastgelegd. De laatste druppels zijn opgevangen op een zijden doekje dat met de splinter in een monstrans werd gesloten. Dit wonder deed de Heilige-Kruisverering in Gerwen toenemen en vermoedelijk is toen de Broederschap van het Heilig Kruis ontstaan, waaruit later de gilde van het Heilig Kruis te Gerwen uit voortkwam. Evenals de oude kapel, werd de nieuwe toegewijd aan O.L.Vrouw en St.Jan Evangelist. Boven de kloosterpoort was het beeld van St. Jan aangebracht als een bijzondere beschermheilige van het klooster. Het klooster was ommuurd vanaf de Dommel nabij de molensluis tot aan de Dommel, waar de Hooidonkse beek in de Dommel vloeit. De poort stond toen op de huidige oprit naar de boerderij. Om de buitenmuur was een gracht en op het terrein zelf was een hoeve, alwaar de rector en later de rentmeester zijn verblijf had.

1300-1400

Tot omstreeks het begin van de 14e eeuw leden de zusters, al waren het adellijke jonkvrouwen volgens de regel van St. Augustinus een armoedig bestaan, maar in geestelijk opzicht was het voor de priorij een tijdperk van bloei. Eerst met het aanbreken van de 14e eeuw begon er een tijdperk van stoffelijke welvaart en rijkdom aan aardse goederen. De toename van haar bezittingen dankt zij ongetwijfeld aan legaten en schenkingen, hetzij van de kloosterlingen persoonlijk, hetzij van hun familieleden of begunstigers. Echter ook door goed beheer en het productief maken van hun bezittingen. Een van de belangrijkste bezittingen was ongetwijfeld de middelbare en lage jurisdictie en heerlijkheden van Nederwetten. De hoge jurisdictie bleef in handen van de Hertog van Brabant. Tot beheer van haar uitgestrekte goederen had de priorij een rentmeester aangesteld, die Meester van Hooidonk werd genoemd. Op hem berustte ook de leiding van het dienst-personeel, dat later bij hem inwoonde. In 1381 was Lucas van Eijck rentmeester, Rutger den Ouden beheerder van de hoeve en ene Godefridus rector en pastoor te Nederwetten. De ontginningen van de priorij en de daarop gestichte boerderijen strekten zich uit over geheel Nederwetten en zelfs over de omliggende gemeenten Son, Breugel, Nuenen en Gerwen. Ook bezat het klooster hoeven onder St.Oedenrode, Beek en Donk en onder het dorp Ell in het land van Thorn. Rond 1350 kwamen de Hooidonkse watermolen en de Sonse watermolen in haar bezit. Ook genoot de priorij belangrijke geestelijke rechten, zoals het patronaatsrecht over de kerk van Nederwetten, Beek, Zeelst en Aalst. In deze plaatsen oefende zij tevens het tiendrecht uit. In de kerk van Beek bezat zij tevens het begevingsrecht van het beneficie van St.Jans Evangelisten-altaar en van het kosterambt.

1400-1500

De welvaart van de priorij ging helaas gepaard met een langzaam verval in geestelijk opzicht. De jonkvrouwen, die nu elk voor zich een jaarlijks inkomen genoten, waren allengs begonnen in hun eigen woning de maaltijden te gebruiken, zodat het gemeenschappelijke tafelen in de refter ophield en ook overnachtten zij in hun vertrek. Sommigen van hen huurden een dienstbode en begonnen zelfs in hun eigen woning gasten te ontvangen. Het slot van het klooster vervaagde steeds meer. De welvaart zorgde ook voor uiterlijk vertoon en zo werd er tussen 1438 en 1442 de stenen kapel vervangen door een kerk met toren, middenschip en een driezijdig gesloten koor, die tegen het klooster werd aangebouwd. Ook de kerk in Nederwetten en die bij Gerwen werden vernieuwd.