49. Joop (John) Stakenburg 1928 -1989

Uit Wielertijdschrift De Muur, editie 54

1 januari 2016. Op een doorzichtige tafel in een flat in de Amsterdamse Bijlmer liggen medailles en borden die zijn gewonnen met wielrennen naast een fotoboek met artikelen en foto’s over wielrennen. Aan de muur hangen film- en wielerposters en schilderijen die verwijzen naar zijn verongelukte vader. Henny Stakenburg, zoon van gangmaker Joop “De Staak” Stakenburg en kleinzoon van profwielrenner Sander Wilhelmus ‘Sam’ Hoevens, staat op uit zijn stoel en loopt langs zijn eigen wielerbekers en een racefiets. In zijn slaapkamer tikt hij ‘Sam Hoevens’ in op zijn computer en klikt op ‘images’. Op het scherm verschijnt een foto van een ingedeukte auto in een weiland bij een onbewaakte tramovergang in de buurt van Alkmaar. Henny Stakenburg kijkt er even naar, klikt het weg en zegt. Ik googelde onlangs de naam van mijn opa en toen verscheen dit. Ik schrok ervan, wist niet eens dat er foto’s van waren. Later zegt hij: Ja, twee ongelukken, twee doden. Ongelooflijk hè? En hoe die ellende ook die vrouwen zo kapot heeft gemaakt.’

september 1934. Op de dag dat hij zou sterven, stapte Sam Hoevens, 29 jaar en parttime werknemer in een suikerfabriek, rond vier uur in de middag in de Ford van zijn collega-renner Klaas van Nek (20). In eerste instantie wilde hij veel liever bij zijn vrouw Annie en dochtertje Dien blijven, maar het was crisis in Nederland en crisis in het wielrennen, en hij kon alle inkomsten goed gebruiken. De baanwedstrijd, een koppelkoers, was in Leeuwarden. Jan Pijnenburg en Frans Slaats kwamen na zestig kilometer als eerste over de finish, Klaas van Nek reed met Cees Stapensea en eindigde twee ronden achter de winnaars. Sam Hoevens behoorde weer niet tot de besten, zo ging het al jaren. Aanvankelijk leek hij een groot talent te zijn. Hij debuteerde in 1923 als nieuweling op de wielerbanen van Amsterdam, en maakte indruk in koppelkoersen en als sprinter. Kenners kregen door dat er in dezen jongeman meer school dan een gewoon rennertje en hij won in Kopenhagen, Düsseldorf en nog wat andere steden. In de depressiejaren dertig bleven de successen uit. Sam Hoevens zocht een bijbaan omdat het wielrennen te weinig opleverde en hij overwoog te stoppen, maar toen Klaas van Nek hem in september 1934 opbelde om hem te vragen voor een koppelwedstrijd op zaterdagavond in Leeuwarden, zei hij toch maar weer ja. Een uur na de wedstrijd stapten Hoevens en Van Nek in de Ford. Het koppel De Wolff -Van de Heyden had de dag erna een koers in Alkmaar, Van Nek stelde voor ze daar af te zetten, hij zou toch langs Alkmaar rijden. Ze sloegen het aanbod af waardoor Flip Reijnders (25) uit het dorpje Ginneken bij Breda en de Poolse masseur Arthold Ridel in de Ford konden stappen. Slaats moest de dag erna rijden in Gouda en vroeg vlak voor het wegrijden of hij ook mee mocht. Sorry Frans, we zitten vol, zei Van Nek. Van Nek nam plaats achter het stuur, Hoevens en Reijnders gingen naast hem zitten, Ridel zat op de achterbank tussen fietsen en tassen en de bos erebloemen die Van Nek aan zijn verloofde wilde geven. Om tien voor elf naderde de Ford een onbewaakte tramovergang in de buurt van Warmenhuizen en Schoorldam, dorpjes in Noord-Holland, ten noorden van Alkmaar. Op een bordje stond nauwelijks zichtbaar: HALT! als de tram nadert. De Ford reed op hoge snelheid door en botste op de stoomtram naar Schoorl, die om twee voor halfelf vanuit Alkmaar was vertrokken. De Ford deukte in en werd 65 meter meegesleept. Binnen twintig minuten arriveerde er een ambulance vanuit Alkmaar. Ridel lag bewusteloos op de weg en werd naar het Stadsziekenhuis gebracht. De andere drie waren toen al dood. De dag erna ging het op alle wielerbanen in Nederland vrijwel alleen maar over het ongeluk waarbij “dappere” Klaasje van Nek, dien flink uit de kluiten gewassen Sam Hoevens en dien bescheiden Reijnders om het leven kwamen. In een necrologie stond: De dood sloeg zaterdag een goede slag: drie jonge mensen, krachtig, schijnbaar onbereikbaar voor zijn grijphanden. Wij treuren om jonge levens, wij treuren om de nabestaanden, wij treuren om het verlies dat de wielersport leed. Sam Hoevens begrafenis was de maandag na het ongeluk. Zijn kist stond in zijn woning in de Eerste Goudbloemdwarsstraat in Amsterdam, honderden Jordanezen kwamen hem de laatste eer bewijzen, op tafel lagen kransen van vrienden, familie en stadiondirecteuren en een groot bloemstuk van de directie van het Olympisch Stadion. Bij de deur maakten bestuursleden van asc Olympia een erehaag, oud-collega’s tilden de kist op en brachten hem naar een lijkwagen met het logo van Sam Hoevens wielerclub. De lijkwagen reed traag naar begraafplaats Vredenburg, langs de route stonden honderden rouwenden. Mannen lichtten hun hoed, vrouwen en kinderen huilden, sommigen sloegen een kruisje. Om twaalf uur droegen leden van Olympia de kist naar een kuil. De heer Vlotter jr., bestuurslid van Olympia, wilde nog iets zeggen, net als de heer D. de Boer van de Leeuwarder wielerbaan, de heer H. Wijnand van de Zuidelijke Wielerclub en de heer J. Hooistra van wielerbaan Zwolle. Teamgenoten van asc Olympia noemden Sam Hoevens een fijn sportman, een eerlijke, trouwe kameraad, zijn zwager Bab Domhof, een stayer, dankte hem voor alles wat hij voor de wielersport, zijn familie en de Jordaan had betekend. Zijn supporters hadden een beeldje van Sam Hoevens met zijn fiets laten maken en plaatsten dat op zijn graf. Op zijn marmeren steen stond: “hier rust door een noodlottig ongeval onze lieve man en pappa Sander Wilhelmus Hoevens 1905-1934”  Weduwe Annie en dochtertje Dien keerden terug naar huis, verdrietig, berooid, bang. Ze hadden het al zo slecht en de uitkering van de Weduwen- en Wezenwet zou vast nooit genoeg zijn. Bestuursleden van de Amsterdamse Sportpers namen het initiatief voor een hulpactie en organiseerden een benefietavond in Hotel Krasnapolsky. Het Polygoon vertoonde een korte sportfilm, Jan Pijnenburg hield een lezing met de titel “Hoe ik renner werd”. De zaal zat vol, de opbrengsten werden in een Fonds voor de Weduwen van Sam Hoevens en Flip Reijnders gestopt. Anderen wilden nu ook helpen, asc Olympia richtte een comité op om een wielersoiree te organiseren. De directeur van het Olympisch Stadion in Amsterdam stelde zijn baan voor deze ene keer gratis ter beschikking, toprenners reden zonder gage. De verslaggever van De Wielerwereld, H. Vuijk, schreef dat mevrouw Hoevens en haar dochtertje in benarde omstandigheden leven en deed een oproep. Als de bezoekers maar willen komen, dan zal een flink bedrag bijeen kunnen komen, om de smart, welke wordt geleden, althans materieel iets te lenigen. De sportgemeenschap moet dit zelfs als een plicht beschouwen. Daarom allen op naar het Stadion! Honderden toeschouwers beschouwden dit inderdaad als hun plicht en ze kochten een kaartje voor de Sam Hoevens-memorial. Maar dat kon de weduwe, en uiteindelijk ook zijn dochtertje, niet redden.

11 januari 2016. Mijn moeder was zeven toen het ongeluk gebeurde, dus ze wist niet zo heel veel over haar vader, zegt Henny Stakenburg, kleinzoon van Sam Hoevens in zijn woonkamer in de Amsterdamse Bijlmer. Toch heeft het haar leven voor een groot deel bepaald. Mijn vader zei altijd tegen mij: Jouw oma werd een ziek vogeltje door dat ongeluk. Dat had natuurlijk ook invloed op mijn moeder. Aanvankelijk leek het met mijn oma nog wel oké te gaan. Ze was 25 toen mijn opa verongelukte en ze hertrouwde een paar jaar later. Maar op haar veertigste deed ze een zelfmoordpoging door pillen in te nemen. Ze was lichamelijk en geestelijk helemaal kapot, kon niet meer lopen en kwam vrijwel nooit meer buiten. Nu denk ik: zou dat ongeluk er iets mee te maken hebben gehad?  Dat moet bijna wel. Als jongetje ging ik weleens bij mijn oma langs met mijn ouders. De gordijnen waren altijd dicht en ze moesten mijn oma boven uit haar bed halen. Mijn moeder werd deels opgevoed door haar opa en oma, en ze kon aanvankelijk niet goed opschieten met haar stiefvader. Al die problemen moeten haar karakter op een of andere manier hebben gevormd. Ze kon een beetje kil zijn, knuffelde nooit, pakte je niet beet en nam zelfs de katten nooit op schoot. Dien Hoevens groeide op in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt. Ze deed soms boodschappen voor een buurtkapper en liep zijn salon binnen om te vragen of ze iets kon meenemen toen ze Henny’s vader voor het eerst zag. Hij woonde in de buurt, was opgeleid als metselaar en tegelzetter en trainde meerdere malen per week met zijn vader Joop om profwielrenner te worden. Joop Stakenburg jr., geboren in de Jordaan, keek naar het donkerjarige meisje en was meteen verliefd. Hij vroeg haar mee uit, er kwam een kus, Joop vroeg Dien al snel of ze met hem wilde trouwen. Ze zei ‘ja’ en toen waren ze verloofd. Hun ouders reageerden anders dan Joop jr. en Dien hadden gehoopt. Joop sr. en zijn vrouw vonden haar te min en meenden dat hun zoon zich serieus moest bezighouden met zijn wielrennen. Waar moest hij de tijd vandaan halen om zich ook nog om zo’n meisje te bekommeren?  Haar ouders waren net zo fel tegen een huwelijk. Joop en Dien zijn in totaal elf jaar verloofd geweest, zegt Henny Stakenburg. In al die jaren zijn ze nooit bij elkaar thuis geweest. Pas toen ze hun eigen woning kregen, waren ze van hun ouders verlost. In die tussenliggende tijd heeft mijn moeder, omdat het zo lang duurde, nog even een relatie gehad met een jongen uit de buurt die Beeldsnijder heette. Dat bleef Joop haar altijd kwalijk nemen. Dan riep hij tijdens een ruzie heel hard: Ja hoor mevrouw Beeldsnijder, jáááááá hoor! Dat was dan twintig, dertig jaar later. Tsja, mijn vader was niet de gemakkelijkste. Toch kon mijn moeder niet zonder hem en ze ging naar bijna al zijn wedstrijden, ook in het buitenland.

augustus 1970. Op de tribunes van de wielerbaan in Leicester City zaten duizenden toeschouwers, onder wie Dien Hoevens-Stakenburg en haar zoontje Henny, die voor het eerst mee mocht naar een internationale topwedstrijd van zijn vader. Beneden werd Joop ‘De Staak’ Stakenburg door de beste wielrenners ter wereld op zijn schouders geslagen, iedereen in het stayerswereldje kende hem en hij verdiende veel meer dan wanneer hij koppig was blijven doorfietsen.
Het was jarenlang lastig te erkennen, maar De Staak had als gangmaker aanzienlijk meer talent dan als renner. Bij zijn eerste wedstrijden in 1951 reed hij meteen tegen profs. Hij won wat kleine koersen in Wageningen, Apeldoorn en Utrecht, maar bij belangrijke wedstrijden eindigde De Staak op grote afstand van de winnaar. Hij moest er een baan bijnemen om te kunnen rondkomen. Zijn vrouw Dien repareerde pakken en jurken in de woonkamer van hun huis in de Amsterdamse Kinkerstraat, De Staak kocht van zijn laatste geld een nieuwe naaimachine voor Dien, nam zelf haar oude naaimachine en zo stikten en naaiden ze vanaf acht uur in de ochtend. In de middag ging hij ervandoor om te trainen en hij kwam pas terug als Dien de aardappeltjes met groente en een stukje vlees op tafel zette. De Staak kon het wielrennen nog lang niet missen, maar zijn prestaties werden eerder slechter dan beter. In 1962 stond hij aan de start bij het Nationaal Kampioenschap voor stayers in het Olympisch Stadion. Na een hoopgevend begin raakte hij weer eens ver achterop, officials besloten hem van de baan te halen, op de tribunes mompelde een man voor iedereen hoorbaar: “Waar die zijn brood mee verdient…” De volgende dag haalde Dien hem over het nog één keer te proberen. Hij schreef zich met hernieuwde moed in voor wedstrijden, maar in het najaar van 1962 riep een stadionspeaker halverwege een koers: Wil renner Stakenburg de baan verlaten? Renner Stakenburg moet wegens te grote achterstand van de fiets! De Staak hoorde niets en trapte dapper door, tot Dien zijn aandacht trok met felle stopgebaren. De Staak stapte af en liep met zijn helm op naar de kleedkamer. Hij jankte.
Op een donderdagavond in juli 1963 vond er in het Olympisch Stadion een stayerswedstrijd plaats. Gangmaker Van Ingelghem knalde tegen de starter op en was dood. De Staak ging langs bij de weduwe. Hij condoleerde haar en kocht Van Ingelghems trainings- en wedstrijdmotor. Dien zei bij thuiskomst: Wat hebt jou nou gedaan? Daar weet jij niets vanaf! Maar De Staak kon dat buitenkansje niet laten lopen. Een nieuwe motor kostte zo’n zevenduizend gulden, dat kon hij nooit betalen. Tweedehands was het net te doen en wie weet zou het hem door hard te trainen lukken een goede gangmaker te worden. De Staak wilde best stoppen met stayeren, maar hij wist zeker dat hij het wielrennen veel te veel zou missen en met die motor kreeg hij hopelijk een tweede kans. Hij leerde gangmaken, had voldoende durf, brutaliteit en tactisch inzicht, en had de gave andere renners met knap stuurwerk vol in de wind zetten. Zijn toekomstige concurrenten zagen zijn talent natuurlijk ook en zaten hem vanaf het begin dwars. Noppie Koch en Bruno Walrave domineerden het stayeren. Ze maakten dealtjes en ze sneden hem af zodat De Staak maar zelden won. De verdiensten waren net zo minimaal als in zijn tijd als stayer, net als vroeger moest hij pakken blijven naaien om een beetje te kunnen rondkomen. Pas in 1966 ging het beter. De Staak won dat jaar het NK met Jan Legrand, een zege die des te mooier was omdat de wedstrijd in het Olympisch Stadion was, waar hij vier jaar eerder van de baan werd gehaald. De Staak was zó blij en opgelucht dat hij met twee handen in de lucht over de finish ging. Bij de prijsuitreiking beet hij heel hard in zijn bloemen. Dien zat op de tribune en huilde.
De Staak had na die overwinning goede hoop dat zijn wielerleven vanaf nu eenvoudiger zou worden, en dat gebeurde ook. Noppie Koch en Bruno Walrave bleven hem weliswaar dwarszitten, maar hij kreeg status, won meer wedstrijden en reed steeds vaker in het buitenland, waar hij zich “John” ging noemen. Hij mocht meedoen aan het WK van 1968 in Rome en werd een bekende naam nadat hij zeer verrassend ging samenwerken met topstayer Cees Stam uit Koog aan de Zaan. Stams gangmaker Noppie Koch had het WK in Rome achter zijn rug om verkocht aan de Italiaan Grassi. Stam was daar zo woedend over dat hij overliep naar de vijand. In 1970 stonden Stam en Staak samen aan de start bij het WK in Leicester. De 24-jarige Stam won, zijn gangmaker en hij kregen een huldiging in Koog aan de Zaan en De Staak werd bijna net zo beroemd als Stam. Zijn gages stegen, de geldproblemen verdwenen. Maar dat bleef natuurlijk niet zo.

11 januari 2016. ‘Ik was acht toen hij eerste werd op het WK in Leicester,’ zegt Henny Stakenburg. Ik was blij en trots. Bij de finale zat ik op de tribune met mijn moeder en de vrouw van Cees Stam. Ze liepen voortdurend even weg omdat ze de spanning niet aankonden. Na een paar minuten kwamen ze steeds terug en vroegen: En, liggen ze nog op kop? De maanden na de titel kon je zien dat mijn vader een echte ster was geworden. Hij moest handtekeningen uitdelen en kreeg veel aanbiedingen. André Hazes maakte iets vergelijkbaars mee, daar denk ik de laatste tijd vaak aan. Dat was ook een volksjongen die ineens bekend werd, maar toch niet naast zijn schoenen ging lopen. Hazes was altijd extreem nerveus voor een concert. Je kon hem dan echt niet aanspreken, en zo was dat ook bij ons thuis. Op de wedstrijddag was mijn vader niet te genieten. Ik had me geen betere vader kunnen wensen, maar hij was ook een driftige man die in een wereldje vol strijd werkte en dat gaf spanning. Hij zei zelf altijd: Ik heb geen vrienden in het wielrennen, daar zitten alleen maar misbaksels. Het is ik of zij. Ben ik te lief dan wordt er over me heengelopen.Het gevolg was dat hij een deel van zijn werk mee naar huis nam. Mijn moeder had weleens een blauw oog door hem. Dan bleef ze bij een groot toernooi uit schaamte vier dagen in de auto zitten. Als mijn ouders thuis ruzie hadden, belde hij uit zelfbescherming zijn vriend en collega Martin Wierstra. Die kwam dan midden in de ruzie binnen en ze begonnen te praten over wielrennen, waardoor mijn vader binnen de kortste keren vergat waarom hij boos was. Door het huiselijk geweld joeg hij mijn broer het huis uit. Die is vijf jaar ouder dan ik en hij is net als mijn vader een driftkop. Ik ben veel meegaander van karakter. Als mijn broer binnenkwam en hij zag mijn moeder met haar hand voor haar oog zitten, haalde hij die hand weg en schreeuwde tegen mijn vader: Nog één keer en ik steek je overhoop. Dus aan de ene kant was ik trots op mijn vader, aan de andere is er nogal wat gebeurd. Ondanks alles heb ik een hele leuke jeugd gehad. Ik ben in Montreal geweest door het wielrennen en in vele andere steden. Het maakte me ook trots hem te zien. Hij was een echte kampioen en een eerlijke man, dat hoor ik ook van andere mensen. Hij kon niet tegen onrechtvaardigheid en noemde Walrave en Koch ‘‘Het Duo Slim & Slecht”. Omdat hij zo’n lastpak en rebel was, hebben ze mijn vader een beetje buiten het dernywereldje in de zesdaagsen gehouden. Maar ze hadden elkaar ook nodig en dat wisten ze van elkaar. Er moest geld worden verdiend om dat leven te kunnen blijven leiden. Ze moesten elkaar in stand houden. Mijn vader ontkwam er niet aan het spelletje soms mee te spelen. Voor een wedstrijd op de winterbaan in Dortmund riep de directeur hem bij zich. Die man zei: Die moet eerste worden, die tweede, die derde en die vierde. De nummer 1 was natuurlijk een Duitser. Als je daar niet aan meedeed, zat je werkloos thuis. Mijn vader was geen heilige en zo wil ik hem ook niet afschilderen. De Staak was een buitenstaander. Dat kwam voor een groot deel door hem zelf. Niet iedereen hield van zijn Amsterdamse gein en hij verloor geregeld een renner met het excuus dat hij een waas voor zijn ogen had gekregen. Wielerjournalist Fred van Slogteren schreef: Zijn praktijken op de motor waren niet altijd even netjes, want hij kon gevaarlijke toeren uithalen om zijn renner aan de zege te helpen. Ex-renner en Amsterdams wielerchroniqueur Bertus Raats noemde hem een geweldige gangmaker, die niet in het potje viel of beter gezegd wilde vallen. Zijn karakter zat hem vaak in de weg, zegt Henny Stakenburg. Zowel op als buiten de baan. Dan zei zo’n directeur tegen mijn vader: Staak, je wordt derde. En dan antwoordde hij: Ja hoor, dat is goed. En tijdens de wedstrijd reed hij gewoon door om eerste te worden. Tegen mij zei hij vaak: Dan moet ik zeker helemaal naar Duitsland om daar derde te worden. Al die corruptie in zijn sport maakte hem cynisch. Met tennis dacht hij ook dat vooraf altijd precies vaststond wie er zou winnen. Hij kon er niet anders naar kijken en bracht dat ook op mij over. Dan dacht ik naar een spannende wedstrijd te kijken en hoorde ik later in de auto dat die en die ervoor had betaald om te winnen.
Mijn moeder vond op een gegeven moment dat hij ermee moest stoppen. Al die haat en nijd en dat bedrog. En het was natuurlijk ook een gevaarlijke sport. Noppie Koch raakte zwaar geblesseerd en moest ermee ophouden. Ik hoorde mijn vader gniffelen: Hij wilde me altijd weg hebben en kijk wie er nu nog over is. Eén keer had hij zelf een echt zwaar ongeluk. Dat was geloof ik eind jaren zestig in Berlijn. Hij reed toen met Cees Stam en kreeg een klapband. Hij had een helm op, maar er droop bloed uit zijn oor en ze dachten dat hij dood was. Toch ik heb ik nooit gehoord dat hij bang was. Ik zou het niet durven; ik stopte op mijn 22ste met wielrennen nadat ik een ernstig ongeluk had gehad. Maar hij kon niet zonder die motor.

20 oktober 1989. Op de dag dat hij zou sterven was Joop “De Staak” Stakenburg op weg naar een stayerswedstrijd. In de jaren zeventig kon hij goed van het gangmaken leven, eindjaren tachtig had het stayeren door omkoopschandalen een slechte naam gekregen. De gangmakers zorgden voor spektakel, maar ze hadden de sport ook kapot gemaakt. De voorzitter van de KNWU zag de stayersport steeds ongeloofwaardiger worden en riep Walrave, Koch en Staak eens ter verantwoording op zijn kantoor. Ze luisterden niet.  De Staak – winnaar van drie wereldtitels, drie Europese en zestien Nederlandse titels – werd een dagje ouder en moest op een gegeven moment zelfs een uitkering aanvragen om zijn gezin te kunnen onderhouden. Dien zei weleens: Waarom schei je er niet mee uit? De Staak zei dan: Daarom niet. Gangmaken was zijn leven en wat moest hij anders doen? Tegen zijn zoon Henny zei hij: Ik ben te dom om te leren en te lui om te werken. Alleen in Duitsland en Oostenrijk vonden zo nu en dan nog lucratieve wedstrijden plaats en daar ging De Staak vaak heen. De wedstrijd waar hij op 21 oktober 1989 zou rijden was in Wenen. Hij reed ernaartoe met de talentvolle stayer Mario van Baarle. De dag ervoor hadden ze elkaar aan de lijn. Meestal sliepen ze in slechte hotels, nu zei De Staak: Mario, ik heb een heel leuk hotelletje voor ons in Wenen. Dit gaat leuk worden. De route ging via de Duitse Autobahn. Het was donker en mistig. Mario van Baarle probeerde in te halen en botste op een truck. De bestuurder overleefde. De Staak (61) was dood.

11 januari 2016. Ik was 27 toen mijn broer me belde, zegt Henny Stakenburg. Hij zei: Je moet naar huis komen.

Waarom?
Dat zeg ik straks.
Zeg het nu maar, anders zit ik in spanning.
Pa is overleden.

Ja, dat is natuurlijk een hele klap. Ik nam de tram vanaf mijn huis, stapte uit in de Marnixstraat en liep door de Kinkerstraat, waar mijn ouders woonden. Onderweg zag ik mijn oom en tante in een babywinkel staan. Ze zochten spullen uit voor hun twee maanden oude kleindochter. Ik dacht dat ze het bericht al hadden gehoord en zei: Weten jullie het al?
Wat?
Oh jee, dacht ik. Voorzichtig doen. Mijn vaders zus Beppie kon nogal hysterisch zijn. Dus ik zei: Kom maar eens naar buiten. Ik begon te huilen en zei: Papa is dood. We gingen naar het huis, bij binnenkomst zat mijn moeder op de bank. Ze huilde en zei: Nu ben ik hetzelfde als mijn moeder. Het afscheid van De Staak was op dinsdagavond 24 oktober tussen half-acht en halfnegen in uitvaartcentrum Watergraafsmeer. De crematie was de dag erna op Westgaarde. De familie plaatste een rouwadvertentie in De Telegraaf waarin stond: “Door een noodlottig ongeval is volkomen onverwacht uit ons midden weggerukt mijn lieve zorgzame man, onze onvergetelijke vader, schoonzoon, broer, zwager en oom Joop Stakenburg”. De wielersport was zijn leven. Er waren meer dan tweehonderd mensen op de crematie, zegt Henny Stakenburg. Daar zat maar zeven man familie bij, de rest kwam uit de wielerwereld. Peter Post was er, Gerrie Knetemann volgens mij ook, net als Noppie Koch en Bruno Walrave. Oud-wielrenner Rik Moorman zei later tegen mij: Ze hadden veel respect voor je vader. Ik was eerst heel kalm en probeerde me in te houden. Maar op een gegeven moment begon ik keihard te janken en ik kon niet meer ophouden. Mijn moeder was helemáál van de kaart, dus zo hecht was de band toch wel. Ze is thuisgebleven omdat ze de crematie niet aankon. Op de ochtend van de crematie dacht ze dat ze hem zag lopen en ze zei: Hij komt toch zo thuis?
Financieel kregen we het lastig. Haar moeder had haar verteld dat collega’s na Sams dood een benefiet hadden georganiseerd, maar bij haar gebeurde dat niet. Ze moest een Weduwen- en Wezenpensioen aanvragen en het duurde een hele tijd voordat het verzekeringsgeld werd gestort. Mario van Baarle zag ze als dader. Hij kwam eens bij ons langs, maar mijn moeder wilde hem niet zien en ze vond mij een verrader omdat ik zei dat hij het niet met opzet zal hebben gedaan. Ze belde in die tijd soms Mario’s moeder en riep dan: Je zoon is een moordenaar! Ach, die jongen is er zelf ook helemaal kapot aan gegaan. Als je zijn wielerloopbaan bekijkt: na 1989 houdt het op.’ Hij wijst naar de bank. Er moest na zijn dood meteen een nieuwe worden gekocht. In de oude bank zaten allemaal deuken doordat mijn vader zich er altijd in liet ploffen. Dat deed haar veel te veel aan hem denken en mijn moeder wilde helemaal opnieuw beginnen. Ik ben zelf na zijn dood ook jaren niet bij het wielrennen geweest en zij wilde er helemaal niets meer van weten. Als er wielrennen op tv was, pakte ze de afstandsbediening om iets anders op te zetten en ze haalde alle wielerborden van de muur af. Die hingen daar zoals de gouden platen aan de muur van André Hazes. De twee zware motoren zijn verkocht aan een motormuseum en zijn twee derny’s aan de familie van Léon van Bon, omdat mijn moeder ze niet aan zijn concurrenten wilde verkopen. Dien Stakenburg-Hoevens is nooit over Joops dood heen gekomen. Ze bleef geestelijk heel zwak en kreeg een maagzweer. Ze durfde niet naar de dokter en kreeg na een paar jaar ook nog beenmergkanker. Ze overleed in 1996. Henny Stakenburg keek in de zomer van 2014 op AT5-Teletekst of er nog nieuws was en las dat er op Vredenburg een beeldje van een wielrenner met daaronder de tekst “Rust zacht, lieve man en pappie” was ontvreemd door brons dieven. Hij wist toen eigenlijk al genoeg en zijn vrees werd bevestigd toen hij AT5 belde. Henny Stakenburg zocht hulp en de stichting Vrienden van Vredenburg loofde een beloning van duizend euro uit als de daders het beeldje naar de redactie van AT5 zouden brengen. Ik dacht: mijn ouders kunnen het niet meer doen, dus ik ga erachteraan. De politie werd ingeschakeld, maar we komen niet verder. Ik vind dat toch wel heel erg. Alweer iets tastbaars van mijn familie verdwenen.
Hij pakt een map en zoekt een foto van de laatste wedstrijd die De Staak reed: het Kampioenschap van Amsterdam achter derny’s op de baan in Sloten. Mijn vader vond zichzelf niet goed in derny’s, toch won hij die wedstrijd. Kijk hem lachen op die foto. Alsof het zo moest zijn.’