1. Heren van Rode

De stamvader van de heren van Rode was een Arnold I van Rode. Hij leefde aan het eind van de 11e en het begin van de 12e eeuw. De afkomst van Arnold I van Rode is duister, maar hij zal ongetwijfeld een jongere zoon, of een telg uit een zijtak, van een hoog adellijk geslacht - een nobilis vir - zijn geweest. Hij en zijn gelijknamige zoon waren in hun huwelijken onder andere verwant aan de familie Van Cuijk die konden bogen op een Karolingische afstamming. Arnolds kleindochter was een potentiële huwelijkskandidaat voor een broer van de graaf van Holland. Dat zijn allemaal indicaties voor de hoge status van de familie. De juiste afkomst blijft tot op heden echter nog voor ons verhuld. Wellicht komt hiervoor het geslacht van de graven van Loon of de daarvan afstammende graven van Duras in aanmerking. Nader onderzoek zal dit wellicht nog aannemelijk kunnen maken.

Hij woonde op zijn burcht in Sint-Oedenrode.
Uitgaande van circa 1090 als huwelijksjaar en een volwassenheidsleeftijd van 25 jaar kom je op circa 1065 als geboortejaar. In 1116 zien we hem voor het laatst als één van de getuigen optreden in een oorkonde van de proost en het kapittel van Sint-Lambert te Luik. In de eerstvolgende vermelding van een Van Rode in een Utrechtse oorkonde van 1121 zien we meteen twee gebroeders Arnold II en Gijsbert I. Daaruit valt te concluderen dat de zonen in de voetstappen zijn getreden van hun overleden vader.
Arnold en zijn zonen Arnold II en Gijsbert zien we in een ongedateerde oorkonde van 1106/1107 getuigen in een schenking van een vrouwe Guda, weduwe van Tiebald, heer van Voeren en Valkenburg. Was alleen Arnold I getuige geweest dan zouden we voor hem een verwantschap met vrouwe Guda of haar overleden man hebben kunnen veronderstellen. Aangezien zijn beide oudste zonen bij deze schenking aanwezig waren, zullen zij de feitelijke bloedverwanten en hun vader Arnold I een aanverwant zijn geweest.
Het 2e huwelijk van Arnold I moet dateren uit of kort voor 10 augustus 1096. In dat jaar waren Hendrik van Cuijk en Arnold I van Rode getuigen de verwanten in Maastricht bij een bevestiging door Ida van Lotharingen, de weduwe van graaf Eustachius II van Boulogne, en haar zoon, de bekende kruisvaarder Godfried van Bouillon, hertog van Neder-Lotharingen, van hun schenkingen aan de abdij van Affligem. In 1096 stond de eerste kruistocht voor de deur en om deze te kunnen bekostigen, gingen vele edelen over tot verkoop van goederen en rechten. Tal van edelen waren als familieleden getuige bij deze bevestiging, omdat hun toestemming nodig was voor vervreemding van onroerende familiegoederen.
In de 13e eeuw zagen de grote politieke heren het gebied Rode als een graafschap dat in leen hing van de aartsbisschop van Keulen. Nu moet die claim van de aartsbisschop wel opgevat worden als een bepaalde pretentie die samenhangt met diens eigen positie. De aartsbisschop van Keulen fungeerde namelijk in vroeger tijden als de zaakwaarnemer van de (vaak afwezige) keizer, die invloedrijke positie is nadien echter sterk afgenomen.
In de periode 1108-1125 had abt Rudolf van de abdij van Sint-Truiden, als opvolger van zijn voorganger (abt Diederik (1099-1107) al problemen inzake de tienden met Arnold I van Rode, reden zich over Arnold I van Rode te beklagen. Na een langdurig proces en diverse bezoeken aan het hof van de keizer trok hij uiteindelijk aan het langste eind. Arnold I van Rode was dus een keizerlijke functionaris want anders had abt Rudolf wel zijn beklag kunnen doen bij de aartsbisschop. Maar niet als graaf, want abt Rudolf zou dat in zijn memoires ongetwijfeld wel hebben vermeld. Uit de bewaard gebleven vermeldingen uit de periode 1096-1133 zien we de Van Rodes diverse malen als getuigen, nooit echter met de titel van graaf, maar wel deel uitmakend van de groep personen die we uit andere vermeldingen als graaf kennen. We mogen derhalve concluderen dat de Van Rodes oorspronkelijk niet de titel van graaf bezaten maar wel een status bezaten gelijk aan de graven en andere hooggeboren heren. De heren van Rode waren oorspronkelijk gewoon keizerlijk leenman en hebben later de titel en functie van graaf weten te verwerven. Bij het latere graafschap Rode hoorde de voogdij over de Peellandse goederen van de abdij Echternach. Als de aartsbisschop van Keulen tussen 1100 en 1110 reageert op een klacht van de abt van Echternach inzake de willekeur van de plaatselijke voogden in de bezittingen van de abdij te Waalre, Deurne (Peelland) en Diessen dan ontbreekt in de uitspraak enige verwijzing naar Arnold I van Rode. Wel is sprake van een graaf Hendrik die dan de bisschoppelijke voogd is over Texandrië. Daaruit valt te concluderen dat de Van Rodes pas later de (opper-) voogdij hebben verworven. Deze graaf Hendrik wordt verondersteld een Hendrik, graaf van Kessel te zijn. Omdat in 1229 sprake is dat naast het graafschap van de Kempen (Rode), ook de voogdij van de Peel (Echternach) in leen gehouden werd van de aartsbisschop van Keulen, is het goed mogelijk dat dit een gecombineerd leen was dat de graaf van Gelre verworven heeft van de vroegere graaf van Rode. Vanuit die invalshoek gezien is het denkbaar dat de Van Rodes door koop van of middels huwelijk met een dochter of nazaat van genoemde graaf Hendrik (van Kessel) deze voogdij verworven hebben.
Over de familie van de heren van Rode kunnen we kort zijn. Er is weinig over bewaard gebleven en datgene wat we weten, geeft ruimte voor verschillende interpretaties. Men moet echter bedenken dat we met het geslacht van Rode niet te doen hebben met een geslacht dat slechts lokale of regionale betekenis heeft. Het behoorde rond 1100/1125 tot de hogere adel die bovenregionaal gegoed was. De Van Rodes waren daarin overigens geen uitzondering. Hun buren, de heren van Boxtel, waren tevens heer van de Duitse Randerode.