3. De Legende van de Heilige Oda

Eerst vierhonderd jaar na haar dood, in de 12e eeuw, vertrouwde de priester Gotfried haar “levensbeschrijving” toe aan het papier. Deze berust dus praktisch geheel op mondelinge overlevering en zegt meer over het heiligheidsideaal en de gelovige verbeelding van de schrijver en diens tijd, dan over de persoon van Sint Oda zelf.

Volgens de overlevering was zij de dochter van een schotse koning, Eugenius of Eugunatius genaamd. Zij was van haar geboorte af blind. Op een dag meldde zich een pelgrim aan het paleis. Hij vertelde dat er in het plaatsje Luik aan de Maas sinds kort een bedevaartsoord van de heilige martelaar en bisschop Lambertus (†705, naamdag 17 september) was gesticht.
Vele blinden herkregen er het gezicht. Prinses Oda ging er heen en werd inderdaad genezen doordat de heilge bisschop zelf aan haar verscheen.
Nu verlangde zij ernaar zich geheel aan Christus te geven, maar haar vader had een goede huwelijkspartner voor haar in gedachte. Toen hij haar een ultimatum stelde, ontvluchtte zij het paleis om er nooit meer terug te keren. Ze begaf zich als pelgrim naar de berg Gargano in Zuid-Italië, waar Michaël ooit verschenen zou zijn (± 490/495, naamdag 8 mei), Via Rome trok zij de Alpen over en vestigde zich uiteindelijk in Venray om daar het leven van een kluizenares te leiden. Maar de eigenaar van de grond waar zij haar hutje had gebouwd verjoeg haar, zodat zij tenslotte liefdevol werd opgenomen door de bewoners van het dorpje Rhode. Daar leefde zij nog enkele jaren haar godgewijd leven, totdat zij tenslotte overleed.

De omwonende waren er zeker van dat zij met een heilige te doen hadden gehad. Het plaatsje stond dan ook al gauw bekend als St-Oda’s Rhode, stilaan verbasterd tot Sint Oedenrode.
Volgens de vita van St. Oda zou er spoedig na haar dood en begrafenis te St. Oedenrode “boven haar graf een nachtelijk en helder licht” verschenen zijn, “dat door zijn glans de nachtelijke duisternis verdreef”. Hierdoor zou duidelijk zijn geworden dat Oda tot de heiligen moest worden gerekend en begon “het gelovige volk het graf van deze maagd met gebeden en devotie te bezoeken en God en de heilige patrones te loven” . Vervolgens geschiedden er op het graf wonderen “wonderen en tekens”. Op verzoek van Arnold van Rode, de adellijke heer van de burcht van Rode, verrichtte bisschop Otbertus van Luik, een bijzondere vriend van Arnold, omstreeks 1100 de opgraving, translatie en elevatie van de stoffelijke resten van St. Oda “om de kerkelijke viering van haar naam te bevorderen”. Arnold van Rode en zijn geslacht gebruikten de Odacultus en het aan haar gewijde collegiaal kapittel ongetwijfeld om het prestige en aanzien van de eigen dynastie kracht bij te zetten en de eigen positie te legitimeren.

Op haar graf staat te lezen; “De H. Oda, dochter van Eugunatius de VII, koning van Schotland, heeft hier gewoond en werd hier begraven in hett jaar 726, oud zijnde 36 jaren. Haar heilige gebeente werd door Otbertus, bisschop van Luik, naar de collegiale kerk overgebracht in het jaar 1099” Haar graf werd een bedevaartplaats voor ooglijders.

Zij is patrones van Sint-Oedenrode en wordt aangeroepen tegen oogziekten. Zij wordt afgebeeld als kluizenares met een kroon, ook met duif of ekster in de hand.
(Volgens de legende werd zij door dit dier gewaarschuwd tegen indringers in het bos waar haar kluis stond.)