16. Nederwettense historie

Door: N. Nagtegaal

Het ontstaan van Nederwetten ligt bij de kapel van Hooidonk dat daar in 1954 is gebouwd en waarbij ook een kruisweg is aangelegd. Deze kapel in gebouwd ter herinnering aan het wonderlijk gebeuren van Hooidonk op die plek. Dit gebeuren vond plaats in de stenen kapel, waarvan de opgemetselde fundamenten buiten het huidige kapelletje zijn te zien. Voordat de stenen kapel er was stond hier een houten kapel behoorden toe aan het klooster Hooidonk, dat op dit natuurlijke eiland in de Dommel heeft gestaan. Van dit klooster is alleen nog maar de ruïne van enkele gedeeltelijke bovengronds gebouwde kelders overgebleven.

***

In de Frankische tijd, in de 7e of 8e eeuw, zou door een zekere ridder de Rovere een burcht zijn gebouwd op een hoogte aan de Dommel, dat Stakenburg werd genoemd. Van deze burcht is niets anders bekend dan dat er in 1600 nog enkelen ruïneresten waren te zien en deze zouden zich bevonden hebben op of nabij de herenbult, ongeveer 800 meter stroomafwaarts van Hooidonk naar de Dommel aan de Nederwettense kant van het Wilhelminakanaal, op het grondgebied van de gemente Son-Breugel. In 1146 zou deze burcht bewoond zijn door ridder Willem de Rovere, heer van Stakenburg, Asten en Leidorp (tegenwoordig Lierop). Deze gaf aan een familielid, priester religieus  Leo de Hoighe ten geschenke, opdat deze daar een klooster voor adellijke jonkvrouwe zou kunnen stichten. Deze priester Leo behoorde tot de abdij van de regaliese Kanunniken of koorheren van St. Augustinus te Rolduc. Drie dochters van Willem de Rovere  behoorden tot de eeerste Hooidonkse kloosterlingen. Priester Leo liet bij het klooster een houten kapel bouwen, dat in 1148 door de bisschop van Osnabruck Philips van Katsenellenbogen werd ingewijd en toegewijd aan O.L.Vrouw en St. Jan Evangelist (boven de inganspoort naar het klooster was een beeld van St. Jan aangebracht). Op de voorgevel van de huidige Agneshoeve op Hooidonk is een wapen te zien dat het kloosterwapen is. Dit waoen zou zijn afgeleid van de familie de Rovere die zich later Stakenburg en Stakenbroek gingen noemen. Het familiewapen de Rovere bestaat uit drie molenijzers met een hanenkop als schelmteken. Het Hooidonkse kloosterwapen is gevormd uit een stappende haan (deze haan is als een symbool), twee molenijzers met een vrij kwartier in de rechter schildhoek, waarin een stappende haan. Deze haan is als een symbool van de kloosterlijke waakzaamheid en als herinnering aan de hanenkop van het Helmteken.

Het klooster Hooidonk werd een slotklooster, waarin alleen adellijke jonkvrouwen als mannen werden aangekleed. De mannen waren religieuze Kanunnikessen van de Peyl van St. Augustinus en ondergeschikt aan het klooster Rolduc. Vanuit het klooster werd al spoedig na de stichting begonnen  met de droogmaking en de ontginning van de moerasgronden en de wildernissen rondom het klooster. Om het koren te kunnen gebruiken en bouwmateriaal te verkrijgen werd ook spoedig begonnen met het bouwen van een zaag- en korenmolen, die werd aangelegd in het “Opconu”van het cloister” Uit deze kloosterhoeve en particulieren behuizingen ontstond allengs een buurtschap, dat naar de streek Nederwetten werd genoemd en zich later ontplooide tot een dorpje. Op het kloosterterrein werd tussen 1242 en 1244 de houten kapel door een grotere stenen kapel vervangen. Op zondag 4 september 1244 werd de kapel ingewijd door Bonifatius gewezen bisschop van Lausanne. Bij de inwijding wilde Bonifatius zich verzekeren van de echtheid van het H. Kruispartikel (een houtsplinter van ongeveer 5 cm lang en 5 – 8 cm breed) dat bij de nonnen van Hooidonk werd bewaard. Hij had gehoord dat een relikwie van het H. Kruis als echt kon worden beschouwd als het, in tegenstelling wat gewoonlijk gebeurt, in water zou zinken. Het partikel zonk en toen Bonifatius het uit het water ophaalde vielen er bloeddruppels uit. Velen aanwezigen waren hiervan getuigen. Hij herhaalde deze proef de woensdag daarop met hetzelfde resultaat, zoals Bonifatius zelf dit wonderbaar voorval in een uitvoerige oorkonde meedeelde.

Omstreeks 1250 zag het klooster zich verplicht, ter wille van de dorpelingen, een parochiekerk te doen bouwen en deze werd op een hoogte vlak bij een hoeve opgetrokken. De hoeve werd voor onderhoud van de kerk aan het kerkbestuur afgestaan en verkreeg de naam Kerkhoef.

Het kerkje werd toegewijd aan St. Lambertus en de geestelijke verzorging geschiedde door de prior van het klooster, een Rolducse religieus of een door Hooidonk aangestelde pastoor. De woning bevond zich op Hooidonk. De ontginningen gingen door en vanaf de 12e eeuw tot eind 14e eeuw ontstonden de volgende hoeven: Kerkhoeve, Hoeve ten Hout (thans Bloemhoeve), de Kerkhofsehoeve, Hoeve ter Straeten, Hoeve Ganzewinkel, Heihoef, Hoeve Roy, Hoeve aan de Herde, Hoeve Royackers en Hoeve Velderheuvel. Vanaf 1436 tot 1469 was Henricus Sanders pastoor van Nederwetten. In of kort na 1448 stichtte hij een klooster voor zijn twee natuurlijke dochters. Dit klooster werd opgenomen in het Convent der Augustinessen en toegewijd aan de H. Maria. Het klooster werd ondergebracht in een verbouwde kleine hoeve, die in de nabijheid van de Groenstraat heeft gestaan, vlak bij de huidige hoeve Soesterbeekseweg 50.

Bij de stichting schonk pastoor Sanders aan het klooster de hoeve ter Straeten en een klooster die later de naam kreeg Kerkhofsehoeve. De Kerkhofsehoeve heeft gestaan op de plaats van de huidige Soesterbeekseweg 50. De naam had deze hoeve te danken aan het Begijnenhof, dat nu nog tegenover de huidige hoeve ligt. De ruimte is omgeven door een doornenhaag en als kerkhof van het klooster gewijd, maar als zodanig nooit gebruikt. Achter de boomgaard van de huidige hoeve ligt een weiland dat nu nog de naam van binnenwei. Door de zusters van het klooster zou deze wei als bleekwei voor het gewassen linnen zijn gebruikt en ook de naam Blekerwei is hier niet vreemd aan.

De zusters gebruikten voor het wassen het water uit “die Soetbeek”en het klooster verwierf daardoor de naam “Cloister aen die Soetbuck” later klooster Soeterbeek. De economische toestand van klooster Hooydonk en dorpje, groeide en in het midden der 15e eeuw, rond 1450 werd een grotere kerk gebouwd die de andere verving. Het klooster, dat achter de huidige Agneshoeve stond, bevatte in deze periode de volgende onderdelen, nl. een kloosterkerk, refter, gastverblijf, gemeenschappelijke eetzaal en slaapzaal. Rechts van de hoeve , achter de kapel en voor de Dommel, stonden 20 éénvertrekswoningen in een vierkante plaats met in het midden een put. Op het terrein stond nog een hoeve en de woning voor de prior en pastoor van Nederwetten. De nonnen werden onderscheiden in koorzusters (20 en priorin) en Conserven of werkzusters (ongeveer 30). De Kerkzusters warende voornaamste. Deze droegen een eenvoudig, zwart habijt, een zwartsubtiel, een zwartwiel en in het koot een zwart bekraagde mantel, waarvan de bovenhelft was gevoerd met bont. De handenarbeid bestond voornamelijk uit fijn naald- en weefkunst en het overschrijven van boeken. Elke Kanuzuster had een eigen afzonderlijke woning waar ze zich voor handenarbeid konden terugtrekken. Voor het klooster Soeterbeek, waarvan het wapen bestond uit de H. Maria met aan haar voeten een beekje, was de watertoevoer van die “Soetbeek” te klein geworden en daar het kleine klooster zeer vochtig was, werd besloten een nieuw klooster te bouwen, iets verder op aan de Dommel. Om dit te bekostigen werden in 1462 de Kerkhofsehoeve en de Hoeve ter Straeten verkocht aan het klooster Hooidonk. In 1467 was het nieuwe klooster klaar en Nederwetten werd verlaten om het huidige Soeterbeek te gaan bewonen. Nederwetten behoorde tot de dorpen die door de Geldersen werden gebrandschat. De kerk is toen waarschijnlijk ook in brand gestoken, daar de oudste klok die nu nog bestaat volgens haar opschrift in 1516 is gegoten.

Wegens de Gelderse-Brabantse oorlogen had Hooidonk reeds in 1515, volgens een verslag van dat jaar, meer dan 1280 gulden aan brandschatting en uitkering moeten betalen. Ook later brachtten diezelfde oorlogen “groite commer en de lasten” over het klooster, zodat het in 1545 een hypotheek van 300 gulden op haar goederen moest nemen. In 1557 kocht Jhr. Rutjer van Berckel de hoge middelbare en lage heerlijkheid  van Nederwetten. Het klooster bezat de middelbare en lage heerlijkheid en de hertog van Brabant de hoge heerlijkheid. Op 21 juli 1564 werd het klooster Hooidonk met zijn bijgebouwen door een rondzwervende bende in brand gestoken en ook de beide watermolens in de as gelegd, zodat de schade zeer groot was. De molens zijn daarna weer opgebouwd en het klooster maar gedeeltelijk. De heerlijkheid Nederwetten komt met die van Nuenen en Gerwen in 1598, na de dood van Linina ban Berckel van Coudenhoven, aan Jhr. Floris van Berckel van Eyck, die zich nu heer van Nuenen, Gerwen en Nederwetten kan noemen. In het archief van de gemeente Nuenen C.A. ligt een cijnsboek van het Hooidonkse klooster dat in 1601 werd vernieuwd. Uit het cijnsboek blijkt dat het klooster uit ontginningen, door schenkingen en door aankoop de volgende bezittingen had in 1601. Onder Nederwetten de Schoteldonksehoeve, Hoeve Ten Hout (nu Bloemhoeve), Kerkhofsehoeve en Hoeve Gansenwinkel en de Heihoef. Onder Nuenen Hoeve Roy bij Soeterbeek. Onder Breugel  Hoeve aan de Herde. Onder Son Hoeve Royackers en Hoeve Velderheuvel. Onder St. Oedenrode Hoeve Ten Bleek en Hoeve Herent. Onder dorp Ell in het land Thorn de Ghenenhoeve.

In Nederwetten waren nog verschillende landerijen, welke in percelen werden verpacht.

Ingevolge het plakkaat van 16 juli 1648, uitgegeven door de Staten-Generaal, moesten in de Meyerij alle geestelijken binnen acht dagen vertrekken, alle kloosters, kerken en kapellen gesloten en van alle beelden en ornamenten worden gezuiverd. De kerkelijke en geestelijke bezittingen werden in beslag genomen. De Nederwettense kerk werd gesloten nadat het uitgeruimd was en op 13 september 1648 legden de Hervormden beslag op de kerk en namen deze in gebruik. De eerste jaren werden regelmatig enkele diensten per jaar gehouden, daarna minder regelmatig en na 1700 werd aangezien in Nederwetten geen Hervormden woonden, er geen gebruik meer van gemaakt. In 1650 moest het klooster Hooidonk worden gesloten en de bewoners moeten vertrekken. Daarna is het verkocht. De bezittingen werden aangeslagen en successievelijk verkocht. De Hooidonkse watermolen werd te koop aangeboden, maar het gevraagde werd er niet voor geboden, waarna het in pacht werd uitgegeven. Het relikwie met de bescheiden werd overgebracht naar het klooster Rolduc. Het geestelijke leven moest in het verborgen worden gehouden en de bediening geschiedde later vanuit Nuenen en klooster Soeterbeek.

In 1633 werd Nederwetten als parochie officieus bij Nuenen ingelijfd. Dit duurde tot 1717 toen Nederwetten weer als eigen parochie werd erkend en als kerkje werd de schuurkerk gebouwd, die schuin tegenover de hoeve op Soesterbeekseweg 23 in een weiland was gebouwd. Rechts naast deze hoeve, van de weg af zichtbaar, is een oude put. Deze put behoorde bij een kleine woning, dat in 1717 als pastorie werd ingericht voor de pastoor van de schuurkerk. De pastorie bestond slechts uit een kamer, een opkamer, waaronder een kelder en een keuken. Alles zeer klein en laag van dak. De schuurkerk was blijkens zijn fundering rechthoekig, ongeveer 5,5 meter breed en 12 meter lang.

De kerk die al die tijd niet meer werd gebruikt en door de boer van de Kerkhoeve als opslag werd benut, werd in 1756 als raadhuis ingericht. Tot 1792 werd het als zodanig benut, waarna een raadhuisje vlak bij Soeterbeekseweg 23, aan een zijpand, in gebruik werd genomen.

Van het klooster Hooidonk, dat geleidelijk in een ruïne is veranderd, zijn nog enkele resten te zien in 1793. In dit jaar nam koorheer Tilman Laurens Walter het relikwie met de relikwiehouder vanuit klooster Rolduc mee naar de parochiekerk  van Waubach in Zuid-Limburg, alwaar het nu nog aanwezig is.

In 1798 kregen de katholieken het recht om de kerk weer terug te vorderen. De kerk werd voor de eredienst geschikt gemaakt en in gebruik genomen. Voor het onderbrengen van de pastoor brachten de Nederwettense kerkmeesters de herenbehuizing van de Bloemhoeve, die als pastorie werd ingericht.

De Hoeve Ten Hout was in de loop der tijd gekocht door Hendrik Blom en naar deze eigenaar werd de hoeve de Bloemhoeve genoemd, later verbasterd tot Bloemhoeve.

In de Franse periode werd het gemeentewezen georganiseerd en kleine gemeentes werden samengevoegd en zo werd in 1810 Nederwetten met Eckard tot een gemeente verenigd. De vernieuwing duurde tot 1821. Op 20 juni 1821 werd bekend gemaakt dat volgens koninklijk besluit, gerekend vanaf 1 januari 1821, Nederwetten bij de gemeente Nuenen-Gerwen was gevoegd, hetgeen op 27 augustus door de gedeputeerde staten werd goedgekeurd. Eckard werd bij Woensel gevoegd. Vele gelovigen van Eckard en ook van Bokt, wilde echter bij de Nederwettense parochie blijven en zo kwamen tussen 1821 en 1895 vele met bootjes over de Dommel naar de Nederwettense kerk en meerden vlak voor de kerk.

In 1894 werd begonnen met de bouw van de nieuwe St. Lambertus, die in 1895 gereed kwam. Tevens werd daarnaast een nieuwe pastorie opgetrokken. Op 13 december 1895 werd de kerk betrokken e op 12 oktober 1896 geconsecreerd. In het portaal werd een handstenen wijwatersvat, afkomstig van de oude kerk, ingemetseld. Het dateert uit de eerste helft van de 17e eeuw. Op het wijwatersvat komt het wapen voor van de familie de Kort. In het eerste kwartier staat een springend hert en het tweede kwartier is doorsneden met een beurtelings gekanteelde dwarsbalk vergezeld van drie bijen met uitgespreid  vleugels en twee beurtelings gekanteelde dwarsbalken.

Achter in het koor werd een gebrandschilderd raam aangebracht, dat het wonderlijk gebeuren in de kapel op Hooidonk in het jaar 1244 weergeeft.

De oude pastorie Bloemhoeve werd weer verkocht. De oude kerk deed daar geen dienst meer in. In 1898 werd hij afgebroken. De toren, die eigendom was van de burgelijke gemeente, bleef staan en deed als gewoonlijk verder dienst als brand- en luidtoren.

In 1920 stond de burgelijke gemeente de beide klokken af aan de Nederwettense kerk en op 25 juli werden beide in de nieuwe toren aangebracht. De oude toren deed verder geen dienst meer en is tot de huidige staat vervallen.

De grootste klok, van 77 cm middellijn, had als geschrift “Tiendklok van Nederwetten, gegoten door T. Simons en J. Chaudoir 1744”. In 1942 is deze klok door de duitsers uit de toren gehaald en niet meer terug gekomen. In de toren hangt nu nog een klok en deze klok was de kleinste van de twee met een middellijn van 66 cmen deze draagt het opschrift “Lambertus est Nimen Meum, Anne Domini MCCCCCXVI  Wilhelmus et Jaspar Moer Fratres me Fecerunt”.

Na veel gedane moeite vanuit Nederwetten wordt door de pastoor van Waubach de helft van het relikwie afgestaan en deze relikwie wordt in 1952 in een relikwiehouder in de St. Lambertuskerk bewaard. Ter ere van de terugkeer van de relikwie en ter herinnering aan het wonderlijk voorval werd in 1954 een kapel gebouwd op Hooidonk.

Bron: Nederwetten vroeger en nu (750 jaar historie in woord en beeld)